Tijdens de zomer van 1990 werd de drie geleverde prototypes grondig bestudeerd door een groep techniekers en managers van MG.
Het team van Motor Panels dat de PR1 toegewezen had gekregen had zichzelf overtroffen bij het ontwikkelen van de nieuwe roadster. Het prototype had dezelfde proporties behouden van de MG F-16. Als chassis had men deze van de MG Maestro 70 mm ingekort. De batterij werd naar achteren verplaatst, wat meer te maken had met de gewichtsverdeling dan met voorziene ruimte. Eveneens opvallend waren de uitklapbare lichten. De PR1 verraste velen, maar het gebruik van het MG Maestro chassis beperkte de mogelijkheid tot succes.

Ver voor de concurrenten, februari 1990, leverde Reliant, het PR2 prototype af in Gaydon. De PR2 had totaal geen gelijkenissen met de PR1, het model leunde zelfs meer aan bij een TVR. De neus van de PR2 was opmerkelijk langer omdat er ruimte moest zijn voor de grote Rover V8 motor. Het interieur hadden ze overgenomen uit één van hun vorige ontwerpen en ook de PR2 had uitklapbare koplampen. De echte racefanaten van Gaydon waren in de wolken van deze PR2. Maar aangezien Rover tot op dat moment geen achterwielaangedreven wagen had, ging men fors moeten gaan investeren in het bouwen van een nieuwe chassis.

De PR3 had een totaal andere stijl. Na een poos was de grote meerderheid ervan overtuigd dat de PR3 potentieel had om het te maken. Er werd gebruik gemaakt van enkel MG Metro elementen zoals de Hydragas ophanging. Toen in 1990 leek het niet zo evident om voor een in het midden geplaatste motor te kiezen. Het feit dat de Metro chassis - waarop de PR3 gebouwd was- uit meerdere subframes bestond, gaf de PR3 opeens veel meer kansen.
